De nieuwe zedenwet: opzetverkrachting en schuldverkrachting

Kunnen slachtoffers er straks voldoende op vertrouwen dat een aangifte zal leiden tot een passende straf? Een straf die letterlijk ‘recht doet’ aan het leed en de gevolgen van een verkrachting?

Modernisering van de zedenwet

Onze zedenwet wordt gemoderniseerd en aangescherpt. Volgens de nieuwe wet die vandaag, op Internationale Vrouwendag, in consultatie wordt gegeven, hoeft ‘dwang’ niet langer bewezen te worden. Straks is iemand strafbaar wegens verkrachting als deze wist dat de ander geen seks wilde en toch heeft doorgezet. Dwang is dan niet langer een vereiste voor een veroordeling, maar een strafverzwarende factor.

70% van de verkrachtingsslachtoffers verstijft van angst

Minister Grapperhaus van Justitie & Veiligheid beoogt met zijn wetsvoorstel de aangiftebereidheid van zedenslachtoffers te verhogen. Volgens de huidige wetgeving moet sprake zijn van ‘dwang’ om een verkrachting te bewijzen. Dit terwijl 70% van de verkrachtingsslachtoffers verstijft van angst en zich niet kan verzetten. Hoe kan dwang dan bewezen worden?

1224 verkrachtingszaken bij de politie: 102 veroordelingen

Te vaak zien slachtoffers van verkrachting, na het informatief gesprek met de zedenpolitie, van een aangifte af. In de eigen woorden van minister Grapperhaus: ‘ligt de lat om dwang te bewijzen nu te hoog.’

Dat blijkt ook uit cijfers van Amnesty International: in 2019 kwamen 1224 verkrachtingszaken bij de zedenpolitie terecht, in slechts 102 zaken werd de dader veroordeeld. Met de nieuwe wet verwacht minister Grapperhaus dat het makkelijker wordt om tot vervolging over te gaan. In plaats van dat de politie, het OM en rechters moeten aantonen dat er dwang in het spel was, kunnen zij zich richten op aanwijzingen dat er sprake was van een ontbrekende wil. En/of het onvoldoende checken of de ander wel seks wilde.

Schuldverkrachting en opzetverkrachting

Minister Grapperhaus geeft aan dat seks in de norm altijd vrijwillig en gelijkwaardig moet zijn. En dat dit ook in de wet verankerd moet zijn. Praktisch geeft hij hier uitvoering aan door de delicten aanranding en verkrachting op te delen in twee delictsvormen: de schuld- en opzetvariant. In tegenstelling tot onze huidige wetgeving is de aanwezigheid van dwang voor zowel aanranding als verkrachting niet meer bepalend.

Bij de opzetvariant geldt het vereiste dat de verdachte wist dat de wil tot het hebben van seks bij de ander ontbrak en er toch werd doorgezet. Dwang, geweld of bedreiging zijn bij deze variant strafverzwarende omstandigheden. Bij de schuldvariant geldt het vereiste dat de verdachte het ernstige vermoeden had dat de ander geen seks wilde. Belangrijk hierbij is, dat de persoon die seksueel contact wil, bij twijfel de verplichting heeft om te checken of dit wederzijds is.

Recht doen aan het leed en de gevolgen van een verkrachting

In de nieuwe wet zal dus niet ‘dwang’, maar het ontbreken van instemming het criterium zijn. Geen ‘nee’ betekent dus niet zomaar ‘ja’. Een stap in de goede richting, want hiermee wordt de hoge ‘dwang-bewijslast’ weggenomen en biedt onze zedenwet meer bescherming.

Toch roept de nieuwe wet van minister Grapperhaus ook nog vragen op. Om die reden brachten wij eerder advies uit op dit wetsvoorstel. Want ondanks dat  wij het van harte toejuichen dat niet ‘dwang’ maar ‘instemming’ het criterium wordt, hebben wij ook nog vragen. Is er bijvoorbeeld over nagedacht dat schuldverkrachting, waarop maximaal vier jaar gevangenisstraf staat, na twaalf jaar zal verjaren? Terwijl verkrachtingen juist niet verjaren? Wat betekent dit in potentie voor slachtoffers? De belangrijkste vraag die bij ons leeft is: kunnen slachtoffers er straks voldoende op vertrouwen dat een aangifte zal leiden tot een passende straf. Een straf die letterlijk ‘recht doet’ aan het leed en de gevolgen van een verkrachting?